logoheader-fotos
Home | wegwijzer | over de vraagbaak | disclaimer | informatie bewaren | sitemap |
dorpshuizen.nl
Zoeken

Arbowet
Risico-inventarisatie
Aansprakelijkheid
Arbeidsongeschiktheid
Omgangsvormen
Protocol sexueel misbruik
Privacyreglement
Home > Vrijwilligers en personeel > Arbeidsomstandigheden > Protocol sexueel misbruik
2.9.2.a Protocol sexueel misbruik

Dit protocol is een voorbeeld.

Binnen de organisatie en in de accommodatie worden wekelijks activiteiten door volwassenen georganiseerd voor jeugdigen. Deze volwassenen hebben gedurende een middag of avond de verantwoordelijkheid en zorg voor een groep kinderen. Tijdens activiteiten gaan medewerkers op talloze momenten met jeugdigen om. Spelsituaties en dergelijke kunnen soms spontaan uitgroeien tot stoeipartijen, vooral jonge kinderen komen bij volwassenen uitrusten, enzovoort. Hierbij is steeds sprake van een zekere intimiteit. Er zijn echter ook situaties voorstelbaar dat het gaat om ongewenste intimiteiten. Deze situaties kunnen leiden tot verwarring. Ze roepen ook emoties op. Medewerkers worden geconfronteerd met dilemma's. Extra moeilijk is het omdat er een taboe rust op een onderwerp als seksualiteit.

Het is wenselijk dat binnen de organisatie een eenduidigheid over de gewenste handelwijze in dit soort kwesties komt en naar aanleiding hiervan is dit protocol ontwikkeld dat
handvaten hiervoor bevat.

Dit protocol geeft een aantal afspraken en handelingsalternatieven voor situaties waar sprake is van (seksueel) misbruik of een vermoeden daarvan. Daarbij moet echter ook een kanttekening geplaatst worden. Elke situatie is weer anders. Vermoedens van seksueel misbruik zijn soms moeilijk hard te maken en er doemen telkens weer andere dilemma's op. Dit protocol is dan ook een algemeen hulpmiddel dat tegelijkertijd bescherming en verplichting biedt, maar geen pasklare oplossing. Het is en blijft altijd weer maatwerk. Het biedt bescherming aan degene die handelt volgens het protocol, aangezien hij is gedekt door beleidsafspraken binnen de organisatie. Aan de andere kant biedt het protocol de verplichting om op de vastgestelde wijze te handelen. Verder zal dit protocol een positief effect kunnen hebben op de signaalgevoeligheid en het zelfvertrouwen van medewerkers om met een vermoeden van seksueel misbruik om te gaan.

Dit protocol heeft betrekking op het contact tussen medewerkers en jeugdigen. Juridisch gezien is een jeugdige tot 18 jaar minderjarig en op deze categorie is dan ook het gehele protocol van toepassing.

Wat zegt de wet?
De Nederlandse wetgeving geldt voor iedereen. Dit betekent dat het ook geldt voor gebeurtenissen die zich binnen dan wel buiten de organisatie afspelen. In het Wetboek van Strafrecht, boek II, titel XIV 'misdrijven tegen de zeden', artikel 249, staat:
hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vierde categorie.
Een jeugdige is binnen de activiteiten van de organisatie aan de zorg en waakzaamheid van de medewerker toevertrouwd. Dit artikel is dus onverminderd ook van kracht op medewerkers.

Wat is seksueel misbruik?
Er bestaan vele uitingsvormen van seksueel misbruik van kinderen. Verschillende gedragingen zijn door het duidelijke seksuele karakter niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Bij
andere gedragingen kunnen vloeiende overgangen bestaan tussen wat wel en niet als seksueel getypeerd kan worden. Als criterium kan daarbij gehanteerd worden, of het welzijn van het kind en zijn lichamelijke en psychische integriteit ondergeschikt wordt gemaakt aan de bevrediging van de seksuele en/of erotische behoeften van de medewerker. De volgende definitie geeft daarbij duidelijkheid:
elke vorm van seksueel gedrag of seksuele toenadering, in verbale, non-verbale of fysieke zin, opzettelijk of onopzettelijk, die door de persoon die het ondergaat
als ongewenst of gedwongen wordt ervaren.
Niemand kan een ander verbieden erotische gevoelens voor kinderen te hebben. Maar dat betekent nog niet dat kinderen betrokken of gebruikt mogen worden om deze
gevoelens te bevredigen. Immers, een kind -zeker een jeugdige binnen de organisatie bevindt zich niet in een gelijke positie ten opzichte van een volwassene (binnen de organisatie een medewerker). Deze machtsongelijkheid zorgt voor een geringe tot geen enkele keuzevrijheid van het kind/jeugdige.

Als voorbeelden van grensoverschrijdend gedrag kunnen worden genoemd:
- exhibitioneren;
- ongewenste aanraking, bijvoorbeeld betasten van geslachtsorganen;
- masturberen in het bijzijn van kinderen of het kind daartoe dwingen;
- een seksueel/erotisch geladen sfeer scheppen;
- zich tegen een kind aandrukken of andere vormen van aanranding;
- verkrachting;
- oraal-genitaal contact afdwingen.

Verbod binnen de organisatie
Een medewerker zal zich ervan onthouden met een jeugdige om te gaan op een wijze, die de jeugdige in zijn waardigheid aantast. Seksuele handelingen van welke aard dan ook en intieme relaties met de jeugdige zijn onder geen beding geoorloofd. Het is niet toegestaan de jeugdige zodanig aan te raken, dat de jeugdige en/of de medewerker deze aanraking als seksueel of erotisch zal ervaren. Dit alles wordt beschouwd als seksueel misbruik. De medewerker mag de activiteit(en) van de organisatie niet gebruiken voor
doeleinden van eigen nut of bevrediging die in strijd zijn met zijn verantwoordelijkheid voor de jeugdige.

Een medewerker mag niet ingaan op seksueel getinte toenaderingspogingen van de jeugdige, ook al verlangt de jeugdige daarnaar of nodigt deze daartoe uit.

Melding – het eerste gesprek
Er bestaat voor iedereen binnen de gehele organisatie een meldingsplicht voor klachten over of signalen van seksueel misbruik door een medewerker. Op verschillende manieren
en van verschillende zijden kan een incident omtrent seksueel misbruik aan het licht komen. Een melding kan gedaan worden door de jeugdige zelf, door de ouders/-
verzorgers, door een andere medewerker of door derden. Mogelijkheden om verschillende melders te hebben houdt ook in dat er benaderingsverschillen zijn.
We zetten ze hieronder op een rijtje.

A Indien seksueel misbruik plaatsvond tussen een medewerker en een jeugdige

1.  Melding door de jeugdige
Degene bij wie de jeugdige meldt, mag nooit beloven dat hij het aan niemand anders zal doorvertellen. Degene bij wie de klacht is gemeld, is verplicht dit onmiddellijk te melden bij het bestuur. In overleg met het bestuur moet worden bekeken op welke manier de ouders geďnformeerd zullen worden. In dit gesprek met de ouders dient zorgvuldig te worden nagegaan of de jeugdige en de ouders steun en hulp wensen. Denk hierbij vooral aan professionele hulp, die de verwerking van wat er gebeurd is, op gang kan brengen. Adressen vind je aan het einde van dit hoofdstuk.
Door het bestuurslid die de zaak behandelt, moet zodanig worden gehandeld, dat de jeugdige het gevoel heeft veilig te zijn. Dit zou gestalte kunnen krijgen door ervoor te zorgen dat de betreffende medewerker tijdelijk de toegang tot het
wijkcentrum wordt ontzegd.
Voorkom dat er afspraken ontstaan die ertoe leiden dat juist de jeugdige het wijkcentrum tijdelijk niet bezoekt. Hij heeft immers niets misdaan en moet ook zeker niet dat gevoel krijgen.

2. Melding door de ouder(s)/verzorger(s)
Vindt de melding plaats bij een andere medewerker dan een der bestuursleden, dan moet deze het bestuur daarover direct informeren. Het bestuur (en desgewenst degene bij wie de ouders het eerst hebben gemeld) heeft een gesprek
met de ouders. Uitgezocht moet worden over welke informatie de ouders beschikken en waar de melding op gebaseerd is.
Ga met de ouders en zo mogelijk samen met de jeugdige na of zij steun en hulpverlening wensen of nodig hebben. Bekijk goed op welke wijze het bestuur hulpvaardig kan zijn bij het zoeken van hulp, door hen bijvoorbeeld te voorzien van adressen en telefoonnummers van hulpverleningsinstellingen. Zie hiervoor de een na laatste paragraaf. Ga na of de ouders (zo mogelijk samen met de jeugdige) over willen gaan tot het doen van aangifte bij de politie. Als dat daadwerkelijk het geval is, probeer dan afspraken te maken over het tijdstip zodat daar binnen de organisatie op ingespeeld kan worden. Het is goed om te weten dat het ook mogelijk is om bij de politie aan te kloppen voor advies. Als men de
politie daarvoor benadert, maak dan direct aan het begin van het gesprek duidelijk dat men advies wil en nog geen besluit heeft genomen over het doen van aangifte.

3.  Melding door een andere medewerker
Wanneer een medewerker misbruik constateert (of ernstige vermoedens daarvan heeft) door een collega-medewerker, is hij verantwoordelijk om het bestuur hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen.

4.  Melding door derden
Informatie uit meldingen van derden moet zo snel mogelijk aan het bestuur worden doorgegeven. Er moet worden uitgezocht over welke informatie anderen beschikken en waar deze op gebaseerd is. Bij alle meldingen is het noodzakelijk om aan de melder duidelijk te maken hoe je met de verstrekte informatie om zult gaan.

B Indien seksueel misbruik plaatsvond door een vrijwilliger buiten de activiteit(en) van de organisatie
 Wanneer een medewerker deze informatie krijgt, geeft hij die onmiddellijk door aan het bestuur.

Stroomschema behorend bij het protocol:

2.9.2a-Stroomschema

 Maatregelen na de melding
a.
 Het bestuur is in beginsel degene die het hele proces coördineert. Een lid van het bestuur doet dat echter om zorgvuldigheidsredenen nooit alleen, zie hiervoor punt B.
Het spreekt voor zich dat wanneer een der bestuursleden degene is waar de verdenkingen naar uitgaan, deze niet degene kan zijn die dit proces coördineert. In dat geval zullen andere bestuursleden de coördinatie doen om ervoor te zorgen dat de kwestie volgens dit protocol wordt afgewikkeld. Het verdient aanbeveling dat het bestuur een logboek bijhoudt, waarin precies beschreven wordt welke stappen wanneer en waarom werden gezet. De ervaring leert dat in zedenkwesties er heel veel in een korte tijd gebeurt. Het is al vaker erg handig gebleken dat men vanuit
zo'n logboek informatie kan terughalen en weer in de tijd kan plaatsen. Het bestuur kan altijd met vragen terecht bij de Raad voor de Kinderbescherming.

b. Een van de bestuursleden informeert, direct na het ontvangen van de melding, de overige leden van het bestuur doch in ieder geval de algemeen voorzitter. Het is namelijk nooit raadzaam alleen met zo'n kwestie rond te lopen en de zaak alleen tot een goed einde te willen brengen.

c. De bestuursleden voeren een gesprek met de ouders en zo mogelijk ook met de jeugdige. Voor opvang van ouders en jeugdige wordt een beroep gedaan op een gespecialiseerde instelling, als de ouders en/of de jeugdige dit wensen. Wijs ouders op de mogelijkheid om aangifte te doen bij de politie. Willen ouders daartoe overgaan, probeer dan afspraken te maken over het tijdstip zodat daar binnen de organisatie op ingespeeld kan worden. Het is goed om te weten dat het ook mogelijk is om bij de politie aan te kloppen voor advies. Als men de politie daarvoor benadert, maak dan direct aan het begin van het gesprek duidelijk dat men advies wil en nog geen besluit heeft genomen over het doen van aangifte.

d. Het bestuur voert zo spoedig mogelijk een gesprek met degene op wie de melding betrekking heeft. Het bestuur informeert de persoon in kwestie over wat zij heeft
gehoord over de melding en vraagt betrokkene hierop te reageren. Wanneer de betrokkene direct toegeeft, spreekt het bestuur door welke stappen zullen worden ondernomen. Er moet duidelijkheid zijn bij de betrokkene over wat hij kan verwachten. Wanneer de betrokkene ontkent iets van doen te hebben met de aard van de melding of wanneer zijn verhaal onduidelijk blijft, probeert het bestuur toch met
betrokkene overeenstemming te krijgen over een schorsing'. Het bestuur maakt de betrokkene duidelijk dat hij zich -tijdens de procedure- het beste uit de organisatie kan terugtrekken. Dit is zowel in het belang van de organisatie als de persoon zelf. Indien met betrokkene overeenstemming is bereikt over de schorsing wordt dit
schriftelijk vastgelegd en door beide partijen voor akkoord getekend. Het verdient aanbeveling zo'n ingevulde verklaring al klaar te hebben voordat men het gesprek met betrokkene ingaat, zodat dit eenvoudig direct aan het einde van het gesprek ondertekend kan worden. Als geen overeenstemming te bereiken is over een schorsing zal betrokken medewerker te horen krijgen dat een (tijdelijk) royement als lid zal worden overwogen. Ook de vermeende ‘schuldige' moet gewezen worden op de mogelijkheden om hulp in te roepen van een gespecialiseerde instelling. Of er nu wel of geen overeenstemming is bereikt over de schorsing, in beide gevallen maakt het bestuur een verslag van het gesprek op en laat dit verifiëren of aanvullen door de betrokkenen waarna het wordt ondertekend door de gesprekspartners. Doel hiervan is om inhoudelijk objectieve informatie te verkrijgen en afspraken vast te leggen over te ondernemen stappen.

e. Het bestuur informeert de betreffende ouders/verzorgers over de procedure die gevolgd gaat worden. Als het gaat om een leidinggevende medewerker die tijdens activiteiten van de organisatie seksueel misbruik pleegde met een jeugdige, is het altijd aanbevelenswaardig hiervan aangifte te doen bij de politie. Dit kan door ouders en/of de organisatie gedaan worden. Bij voorkeur gebeurt dit pas nadat een gesprek plaatsvond tussen bestuur en ouders. Op deze manier is het risico van onaangename verrassingen beperkt en is het mogelijk afspraken te maken over het vervolg. De aangifte moet bij voorkeur pas gedaan worden nadat het bestuur een gesprek heeft gevoerd met degene op wie de melding betrekking heeft. Het is ten zeerste af te raden zelf onderzoek te doen, om zo bewijs te vinden over het al dan
niet gepleegde feit. Wie dat doet raakt binnen de kortste keren verstrikt in belangen van ouders, de jeugdige, de mogelijke dader, de overige medewerkers, de organisatie en ga zo maar verder. Verder zijn de meeste medewerkers niet deskundig genoeg om gesprekken hierover op een evenwichtige manier te voeren. Weet dat het mogelijk is om de politie om advies te vragen, zonder direct aangifte te
willen doen. 

Nog een ander punt van belang is met betrekking tot de contacten met de betreffende ouders. Zij zullen zich als geen ander benadeeld voelen. Vanuit deze benadeling zullen zij in de meeste gevallen behoefte hebben aan informatie over het verloop van de kwestie.  Vergeet daarom niet de ouders te informeren over de hoofdlijnen van het verloop, althans voor wat betreft dat deel van de procedure dat door de organisatie zelf wordt afgewikkeld. Val ouders niet lastig met elk detail, maar informeer hen op hoofdzaken en blijf dat doen gedurende het gehele proces. Dat deel van het proces dat door anderen, bijvoorbeeld de politie, wordt afgewikkeld, kan de organisatie niet tot haar verantwoordelijkheid rekenen, waardoor de organisatie ook geen verantwoordelijkheid kan nemen voor de informatievoorziening van dat deel naar de ouders.

f. Als het om een melding gaat van seksueel misbruik door een medewerker dat buiten de organisatie plaats had, voert het bestuur een gesprek met de betrokkene. Het verdient dan aanbeveling om met betrokkene overeenstemming te bereiken over een schorsing. Bij een medewerker mag het risico op herhaling, maar dan binnen de organisatie, aannemelijk worden geacht. Daar is niemand mee gediend. Er kan onrust ontstaan onder ouders en jeugdigen, zeker wanneer de kwestie in de media bekend is geraakt. Wees deze onrust dus voor. Valt er geen overeenstemming met
de betrokkene te bereiken, dan maakt het bestuur hem duidelijk dat een (tijdelijk) royement zal worden overwogen. Bij een niet-leidinggevende medewerker moet de afweging worden gemaakt, in hoeverre er een kans op herhaling is, maar dan binnen de organisatie. Een inschatting over de onrust die kan ontstaan, moet meewegen in de beslissing. Is dit risico aanvaardbaar en verantwoord, dan kan worden volstaan met een gesprek waarin de betrokkene te horen krijgt dat de zaak opnieuw zal worden bekeken zodra er een gerechtelijke uitspraak is. Is er sprake van enig risico en is het niet verantwoord de persoon in de organisatie te handhaven, dan probeert het bestuur overeenstemming te krijgen over een schorsing. Als dat niet lukt, dan krijgt betrokkene te horen dat een (tijdelijk) royement zal worden overwogen.

g. De leidinggevende medewerker stelt het bestuur altijd voor de betrokkene te schorsen als er geen overeenstemming met hem kan worden bereikt over een op
non-actiefstelling. Het verdient aanbeveling het bestuur openheid van zaken te geven. Uit bescherming van de persoon in kwestie worden vaak gegevens achtergehouden. De ervaring leert echter dat dit alleen maar averechts werkt. Er ontstaan talloze versies over wat er zoals gebeurd kan zijn of men wordt onaangenaam verrast door de betrokkene die dan zelf zijn verhaal doet. In dat laatste geval verwijt men vaak de leidinggevende medewerker of het bestuur dat men gegevens heeft achtergehouden. Het resultaat is dat er een krachtenveld van conflicten ontstaat, dat eigenlijk niets meer met de essentie van de zaak van doen heeft. In principe handelt het bestuur de gehele verdere zaak af zoals in dit protocol beschreven staat.

h. In het geval een schorsing is gerealiseerd moet overwogen worden of voor de betreffende werkgroep een ouderavond belegd moet worden over deze kwestie. Ook
hier geldt: geef zoveel mogelijk openheid van zaken over de feiten. Scheidt zoveel mogelijk de feiten van vermoedens/interpretaties. Het is belangrijk tijdens zo'n
ouderavond geen onnodige paniek te veroorzaken, maar op een rustige en niet insinuerende manier te vertellen wat de feiten zijn en op welke manier het bestuur heeft gehandeld en waarschijnlijk nog zal gaan handelen. Het is niet verstandig uitvoerig in te gaan op wat er mogelijkerwijs zoal is gebeurd of nog zal gebeuren als daarover niets feitelijks of zinnigs te zeggen valt. Dit is alleen maar speculeren. Het leidt tot onnodige onrust.

i. Hoe meer overeenstemming met alle partijen te bereiken valt over de te bewandelen weg, hoe kleiner de kans is dat het onderwerp op een verkeerde manier in de publiciteit komt. De media komen veelal pas in beeld als een van de partijen zich benadeeld voelt en zijn verhaal gaat doen. Dit bereiken van overeenstemming kent natuurlijk zijn grenzen. Het belang van het jeugdlid en de organisatie blijft natuurlijk
altijd voorop staan. Spreek vooraf goed af, wie de woordvoerder zal zijn als de pers zich meldt.  Ook hier geldt: geef alleen de feiten en loop nooit op de zaak vooruit.
Maak vooral duidelijk welke maatregelen genomen zijn en dat je de kwestie serieus neemt. Doe in geen geval uitspraken over wie schuld heeft, zolang dat door anderen
(Justitie) niet is vastgesteld. Dit moet overigens ook niet gebeuren als de betrokken persoon bekend heeft. Het is belangrijk ook dan discreet te blijven.

Besluitvorming

1. De volgende stappen moeten gezet worden als (door Justitie) is bewezen dat een leidinggevende medewerker binnen de organisatie een delict heeft
gepleegd.
 Het Algemeen Bestuur zal betrokkene ontzetten (er is immers sprake van aan te tonen verwijtbaar gedrag) uit het lidmaatschap. Deze ontzetting vindt plaats op grond van een onredelijke benadeling van de organisatie.

2. Als (door Justitie) niet bewezen is dat een leidinggevende medewerker binnen de organisatie een delict pleegde, moeten de volgende maatregelen worden genomen.
a
. Dit is een lastige situatie. Wanneer justitieel onderzoek niet heeft aangetoond dat betrokkene schuldig is, is hij dus onschuldig. Wanneer dit erg duidelijk is en daarvoor bewijs aanwezig is, moet hij gerehabiliteerd worden. De schorsing of ontzetting moet worden opgeheven en de persoon in kwestie wordt in ere hersteld.
b. Als er talloze vragen onbeantwoord blijven en er twijfels blijven bestaan, maar er juridisch geen schuld is aan te tonen, heeft men te doen met een lastige afweging. In deze kwesties zal het bestuur naar bevind van zaken dienen te
handelen. Het is niet eenvoudig om aan te geven hoe een werkgroep na zo'n gebeurtenis verder moet. Dat is natuurlijk sterk afhankelijk van de mate van onrust die is ontstaan. Ook zullen de verhoudingen in de werkgroep schade opgelopen hebben. Dat alles is bepalend voor de manier waarop er verder gehandeld kan worden.

     1.  Valt er met betrokkene goed over de kwestie te praten en is een en ander in goede harmonie verlopen, dan kan besloten worden tot handhaven van de positie van deze leidinggevende. Er kan in overleg worden gekozen voor een ‘veilige' oplossing, door verandering van functie of functie-ontheffing. Ook kan men in overleg kiezen om ieder zijns weegs te gaan. De betrokkene verlaat dan dus de werkgroep vrijwillig.
     2.  Als de kwestie binnen de groep veel onrust heeft teweeggebracht en die nrust nog steeds in meer of mindere mate bestaat, zal het bestuur contact opnemen met deskundigen terzake.
 Deze deskundige krijgt het mandaat om de situatie te beoordelen en te adviseren tot opzegging:
     a.  als de betrokkene zich in een zodanige situatie begeeft dat er geen werkbare verhouding meer mogelijk is binnen de organisatie;
     b.  als de betrokkene in een onwerkbare situatie terechtgekomen is omdat het risico is vergroot;
     c.  als het belang van de (potentiële) schade aan de organisatie niet in verhouding staat tot het belang van betrokkene bij een 'plezierige vrijetijdsbesteding'.

3. Hieronder staat beschreven hoe gehandeld moet worden als (door Justitie) bewezen is dat een leidinggevende medewerker buiten de organisatie een
delict gepleegd heeft.
Ondanks het feit dat het delict zich buiten de organisatie afspeelde, heeft de organisatie wel direct met betrokkene te maken. Het is immers aannemelijk dat de kans op herhaling binnen de organisatie even groot is als daarbuiten. In deze situatie is opzegging van het lidmaatschap van de organisatie op zijn plaats. Ontzetting uit het lidmaatschap is niet mogelijk omdat hij de organisatie geen directe schade heeft toegebracht.

4.  Is (door Justitie) niet bewezen dat een leidinggevende medewerker buiten de organisatie een delict heeft gepleegd, dan geldt hiervoor hetzelfde als
hierboven al beschreven is onder punt II.

Hulp en ondersteuning
De volgende instellingen/instanties kunnen de organisatie ten dienste zijn:
- Bureau Slachtofferhulp
- Bureau Algemeen Maatschappelijk Werk
- RIAGG
- Raad voor de Kinderbescherming.

Dankwoord
Voor de samenstelling van dit protocol is dank verschuldigd aan RABO Nederland alsmede aan het Landelijk Bureau Scouting Nederland.

Voorbeeld verklaring non-actiefstelling:
Ondergetekende, …………………(naam) verklaart hierbij in te stemmen met het voorstel
van de zijde van de organisatie XXXXX in de persoon van ……………… en …………..
(namen) betreffende een op non-actiefstelling van zijn/haar functie(s) binnen de organisatie.
Ondergetekende zegt derhalve toe met ingang van heden al zijn/haar functies binnen de organisatie te zullen neerleggen tot het moment waarop een eventueel justitieel onder-
zoek is afgerond of, in voorkomend geval, de rechtbank een uitspraak heeft gedaan.
Hij/zij zal vanaf het moment van ondertekening de accommodatie niet meer bezoeken en direct noch indirect contact hebben met jeugdleden van de werkgroepen.

Ondergetekende heeft kennis genomen van het feit, dat wanneer hij/zij de afspraken voortvloeiende uit deze overeenkomst schendt, de organisatie direct over zal gaan tot een procedure betreffende een schorsing c.q. opzegging van het lidmaatschap.

Aldus overeengekomen d.d.: ……..         Plaats: ……………


Handtekening:                                          Handtekeningen en namen van de betrokkenen
                                                                 namens de organisatie: