Prijsbeleid

Welzijnsaccommodaties zoals dorps- en gemeenschapshuizen zijn, net als bedrijven, aanbieders van producten. In dit geval is het kernproduct de verhuur van ruimte, met als bijbehorende faciliteiten een bar- of kantinefunctie en extra’s als een licht- of geluidsinstallatie, een tv of een beamer en dergelijke.

Andere, minder vaak voorkomende producten, zijn een activiteitenaanbod, een cultureel programma, (speel)automaten, biljarts, garderobe e.d. En dan zijn er nog van het normale aanbod afwijkende producten als een eigen kinderdagverblijf en andere ‘exotische producten’ die we in het kader van dit artikel niet zullen behandelen.

Dorps- en gemeenschapshuizen hoeven geen winst te maken, maar de exploitatiekosten zullen wel terugverdiend moeten worden in opbrengsten van, onder andere, de verhuur van ruimtes. Een ruimte zal in beginsel de prijs moeten opbrengen die het mogelijk maakt om die ruimte aan te kunnen (blijven) bieden. Maar, anders dan in het bedrijfsleven, spelen bij dorps- en gemeenschapshuizen ook andere factoren een rol bij het vaststellen van de prijs. De voornaamste daarvan is de subsidiërende overheid. Hierdoor kan een voor verschillende klantengroepen aangepast prijsbeleid worden gevoerd.

Klantengroepen

Het is dus gebruikelijk dat er bij de prijsstelling onderscheid wordt gemaakt in klantengroepen. Voor verschillende klantengroepen kunnen verschillende prijzen gelden. Veel gebruikte onderscheiden zijn:

  • De eigen doelgroep (personen en groepen in de sociaal culturele sfeer, zoals de plaatselijke verenigingen) en de overige huurders.
  • Hetzelfde onderscheid maar dan met een andere benaming: zakelijke en niet zakelijke gebruikers. De niet zakelijke gebruikers(groepen) zijn de eigen doelgroep, de zakelijke gebruikers zijn alle overige gebruikers.
  • Groepen waarvoor van de gemeente subsidie wordt ontvangen en huurders waarvoor dat niet het geval is.
  • Groepen die als gevolg van subsidieafspraken met de gemeente gratis gebruik mogen maken van de ruimtes en betalende huurders.
  • Plaatselijke gebruikers en die van buiten.
  • Incidentele huurders, vaste huurders en permanente huurders. Met de laatste wordt een huurder bedoeld die een ruimte voor 7 dagen per week 24 uur per dag huurt (bijvoorbeeld een peuterspeelzaal , bibliotheek of een jeugdhonk).

De verschillende onderscheiden sluiten elkaar niet uit zodat een combinatie van bovenstaande onderscheiden vaak zal voorkomen.

Welke prijs?

De belangrijkste prijzen in dorps- en gemeenschapshuizen zijn de huurprijzen en de prijzen van de consumpties. Het zou makkelijk zijn als daar standaardprijzen of normbedragen voor zouden bestaan. Of dat je de prijzen direct kunt koppelen aan de kostprijs. Maar dat is te kort door de bocht. Rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en de invloed die subsidie op de prijs kan hebben, zijn er twee hoofdstromen mogelijk:

  • Kostprijs gerelateerde huurprijzen (zie verderop)
  • Subsidiegerelateerde huurprijzen: de kostprijs wordt verlaagd met de ontvangen subsidie. In het algemeen, hoe meer subsidie voor de betreffende doelgroep, hoe lager de huurprijs.

Op bovengenoemde hoofdstromen zijn weer diverse varianten mogelijk die doorgaans verband houden met de intensiteit van het gebruik:

  • Omzet gerelateerde huurprijzen: hoge omzet, lage huurprijzen.
  • Arrangementen: er zijn diverse mogelijkheden. 1. Verhuur van de complete accommodatie waarbij de eventuele inkomsten van de bar voor de huurder zijn 2. Gratis gebruik van de zaal waarbij de inkomsten van de bar voor de accommodatie zijn. 3. Voor feesten en recepties kan de accommodatie voor de drankjes en de hapjes een vast bedrag per persoon rekenen; de zaalhuur is daarbij inbegrepen. 4. Et cetera.
  • Extra faciliteiten zoals een geluidsinstallatie of een beamer kunnen in de huurprijs worden opgenomen, maar ook apart in rekening worden gebracht.

Doorslaggevend bij de vaststelling van de hoogte van de prijzen zijn, naast de invloed van subsidies, ook de plaatselijke omstandigheden:

  • Meestal is er concurrentie. Stel dat de plaatselijke horeca of een zaaltje van de kerk een lage huur rekent omdat ze genoegen neemt met alleen de drankomzet, dan zal het dorps- of gemeenschapshuis daar, wil ze niet uit de markt geprijsd worden, bij de eigen prijsstelling rekening mee moeten houden.
  • Paracommercie. Om oneerlijke concurrentie te voorkomen zal van het (gesubsidieerde) dorps- of gemeenschapshuizen worden verlangd dat de prijzen van de consumpties in een redelijke verhouding staan tot die van de commerciële horeca. Over het algemeen is het geaccepteerd dat de prijzen van consumpties in een welzijnsaccommodatie lager liggen dan die in de commerciële horeca. Maar als het verschil te groot wordt dan kan dit problemen veroorzaken. Kijk ook bij paracommercie.

Voor de prijsbepaling is dus een aantal plaatsgebonden gegevens nodig. Die gegevens moeten iedere keer dat de prijzen worden aangepast opnieuw worden verzameld om tot een prijsstelling te komen waarmee de accommodatie zich niet uit de markt prijst en de verhouding met de plaatselijke horeca intact houdt.

Indexeren

Een derde factor is de inflatie. Ieder jaar wordt ons geld iets minder waard waardoor de prijzen moeten worden aangepast om er niet op achteruit te gaan. Men noemt dat de prijs indexeren. Vaak is 1 januari het moment om dat te doen. Het inflatiecijfer dat voor die berekening nodig is wordt uitgerekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek, het CBS. Op de website van het CBS vindt u een stappenprogramma waarmee de inflatiecorrectie voor huur- en andere prijzen simpel kan worden uitgerekend.

(standaard)Kostprijs

Een welzijnsaccommodatie heeft, net als een normaal bedrijf, behoefte aan kennis van de werkelijke kosten van de producten die worden aangeboden. Die kennis kan helpen bij het vaststellen van een juiste verkoopprijs en kan bij onderhandelingen als richtsnoer dienen. Een andere reden waarom het goed is om over kostennormen te beschikken is dat de resultaten achteraf met die normen vergeleken kunnen worden.

De standaard kostprijs niet gelijk is aan de werkelijke kostprijs. In de werkelijke kostprijs worden alle kosten opgenomen, ongeacht of deze door inefficiëncy worden veroorzaakt.
In de standaardkostprijs spelen alleen de toegestane of noodzakelijke kosten een rol en worden kosten als gevolg van inefficiëncy niet meegenomen.
De formule voor de standaardkostprijs is:
C V
— + — = standaardkostprijs
n W

C = Constante kosten, ook wel vaste kosten genaamd. Bijvoorbeeld de rente en afschrijving op het gebouw en de inventaris.
V = Variabele kosten (of met de omzet variërende kosten), zijn bijvoorbeeld de energiekosten.
n = normale omzet.
W = werkelijke omzet.

Deling van constante kosten door normale omzet is noodzakelijk omdat deze kosten ook worden gemaakt als er geen omzet is, en anderzijds om niet van onterechte schommelingen in de omzet per jaar uit te gaan. De variabele kosten door de werkelijke omzet delen ligt voor de hand omdat de werkelijke omzet onlosmakelijk is verbonden met de daarvoor gemaakte kosten.

De formule is rekenkundig vrij eenvoudig. Iets anders is het vinden van de benodigde gegevens. Constante en variabele kosten zullen nog wel gaan, evenals het elimineren van niet toegestane kosten. Maar wat normale omzet is valt niet zo gemakkelijk aan te geven. Daarvoor is een vergelijking met de gegevens van een vergelijkbare accommodatie nodig. Maar die onderlinge vergelijking is helaas (nog) niet mogelijk.
Kijk ook bij Omzetraming en Omzet